X
Santip Santip Bekijk Santip artikelen
Nivo Nivo Bekijk Nivo artikelen
Vakpublicaties Vakpublicaties Bekijk vakpublicaties
Inschrijven nieuwsbrief Inschrijven nieuwsbrief Inschrijven nieuwsbrief

Niet alleen technisch advies
maar tevens een sparringpartner
en vertrouwenspersoon

Box 3 heffing: toch buitensporig?

NIVO 2020 - 22

Op 18 april 2018 scheef ik mijn column met de titel. "183% heffing buitensporig of toch niet?". Ondanks dat de belastingdruk in box 3 183% was, vond de rechtbank Gelderland dat er geen sprake was van een individuele en buitensporige last. Hiervoor moest volgens de rechter ook gekeken worden naar de totale inkomens- en vermogenspositie van de belastingplichtige. Het Hof Arnhem-Leeuwarden was het eens met de uitspraak van de rechtbank. Mijn verbazing over deze uitspraak bleek wel uit mijn column. En ik sprak de hoop uit dat ons hoogste rechtscollege, de Hoge Raad anders zou oordelen. Hieronder een "tussenstand".

Conclusie Advocaat-Generaal d.d. 27 februari 2020

Bij belangrijke zaken die aanhangig zijn bij de Hoge Raad wordt in de regel een onafhankelijk advies gevraagd aan een advocaat-generaal (hierna AG).
De Hoge Raad neemt vervolgens kennis van dit advies en oordeelt dan zelfstandig.
Het voordeel van een dergelijk advies is dat de casus duidelijk wordt uitgelicht en alle relevante wetsgeschiedenis en jurisprudentie wordt beschreven om te komen tot het advies. Zo ook inzake bovenstaande casus.

Casus

X doet voor het jaar 2015 aangifte van een box 3-vermogen van € 116.405.
Hij is hierover € 1.112 aan box 3 heffing verschuldigd.
Volgens X is de box 3-heffing in strijd met art. 1 EP EVRM. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat voor het jaar 2015 geldt dat de vermogensrendementsheffing, evenals de Hoge Raad in zijn arresten van 14 juni 2019 heeft vastgesteld voor de jaren 2012 en 2013, in strijd is met art. 1 EP EVRM.

Desondanks stelt het hof vast dat X niet wordt geconfronteerd met een buitensporige last (183% heffing in box 3). Dit gezien zijn inkomen in Box 1.

X is het daarmee niet eens en gaat in cassatie bij de Hoge Raad. Hij stelt onder andere dat bij de beoordeling of sprake is van een individuele en buitensporige last ten onrechte zijn gehele financiële situatie in ogenschouw is genomen. Dat is niet juist. Van belang is dat alleen naar (de heffing in) Box 3 moeten worden gekeken.

Advocaat-generaal Niessen volgt de visie van de belastingplichtige en concludeert dat de rechter, bij de beoordeling of sprake is van een individuele en buitensporige last, geen rekening mag houden met het box 1- en box 2-inkomen.

De A-G wijst er daarbij op dat de wetgever in wettelijke regels heeft bepaald hoe zwaar box 1- en box 2-inkomen moet worden belast. Deze regels worden niet in acht genomen als de vermogensrendementsheffing moet worden betaald uit box 1- of box 2-inkomen omdat het rendement op het vermogen tekort schiet.

Ook kan deze gang van zaken leiden tot een ongelijke behandeling van vermogensbezitters.

Verder vormt het lijden van verlies op vermogen ook een individuele en buitensporige last. Daarvan is sprake als een belastingplichtige er in het belastingjaar niet op kan rekenen dat gedurende een reeks van jaren met risicomijdende beleggingen het wettelijk forfaitaire rendement wordt gerealiseerd.

De A-G adviseert de Hoge Raad om het cassatieberoep van X gegrond te verklaren.

 

Conclusie

In mijn column 18 april 2018 sprak ik over “dit is met 2 maten meten” en het zou tot ongelijke behandeling van vermogende particulieren leiden. De AG is het daarmee eens. Nu hopen dat de Hoge Raad het advies zal opvolgen en het recht zegeviert.